uitgaan moet. leuk of niet.

Huiselijke activiteiten: de was opvouwen met een leuke film op de achtergrond, nieuwe knopen op een oud jasje zetten, op de bank liggen en naar het plafond staren, buiten een boekje lezen, nagels vijlen. Heel rustgevend. Om elf uur was ik hartstikke moe en in mijn huiselijke toestand wilde ik best vroeg naar bed, maar het kriebelde. Een flyer van een mij onbekend feest (Club Vegas in Canvas) kriebelde in mijn tas. De flyer schreeuwde dat er misschien wel een heel tof feest zou zijn vannacht en dat ik spijt zou hebben als ik als een bejaarde op zaterdagavond om elf uur in mijn nest lag. En dat ik misschien wel gelukkig samenwoonde, maar dat dat niet betekende dat mijn hele leven zich in onze huiskamer af moest spelen. Ik zou niet indutten! Ik was het aan mezelf verschuldigd om naar buiten te gaan en te LEVEN!

Dus sleepte ik mezelf naar boven, trok het oude jasje met nieuwe knopen aan en mijn nieuwe schoenen: ik zag er classy uit. De flyer repte het woord suave. Ik had allerlei associaties met dat woord en classy kwam er dicht bij in de buurt. Er stond ook: sexy, glamorous en trashy. Misschien een soort Kate Moss-look: dope meets style? Ik had in ieder geval een veilige keus gemaakt qua kleren: veel zwart met een mooi jasje, past overal bij. Bij de ingang van het feest stond een meisje met een glitterbadpak en een blonde pruik. Bedoelden ze dit met glamorous? Op het feest zelf liepen veel vrouwen rond met opzichtige glitterjurken en neonkleuren. Mannen met slechtzittende pakken. Het was een bonte mix van foute kleding.

De muziek vond ik best lekker. Het leek op vreemde filmmuziek uit de jaren zeventig, wat goed samenging met een waanzinnige film die geprojecteerd werd van een meisje in een ruimteschip dat van binnen helemaal gestoffeerd was met langharig oranje tapijt. Maar ik was eigenlijk te moe om te dansen en toen er op het podium een of andere onzinnige act werd opgevoerd, gaf ik het op. Ik fietste naar het Leidseplein en ben door de dronken toeristen heen gewaad om bij Café Alto te komen. Er speelde een blues-band. Sodeju, die man kon zingen. Van het type: lost my baby/don’t know what to do/lost my-hy-hy baby-y-y/don’t kno-ho-how what to do. De bassen waren lekker hard. Aan het eind gaf de drummer nog een geweldige solo. Kon ik toch nog met enige voldoening naar huis fietsen.

echt

Mijn huis was rechtdoor, maar ik sloeg rechtsaf en hobbelde met mijn fiets het park in. Het regende heel hard en het park was verlaten. In het park is een binnentuin. Rondom de tuin staan bankjes onder een klimop. Ik ging op een bankje zitten. Druppels tikten onophoudelijk op mijn hoofd en regenpak. Het groen van de tuin ging over in een grijze regenmassa. Dit gebeurde echt.

Het voelde echter dan in een verwarmd huis zitten en naar muziek luisteren. Veel van mijn dagelijkse handelingen hebben weinig direct tastbare gevolgen. Letters typen op een toetsenbord creëren woorden en zinnen, die in je brein worden omgezet in betekenis zonder noodzakelijk een directe link met de tastbare werkelijkheid. Praten en lezen is van hetzelfde laken een pak: je creëert of consumeert een werkelijkheid die vooreerst in taal bestaat en mogelijk in tweede instantie zijn weerslag op de werkelijkheid heeft. Maar de regen was via alle kanalen echt: ik zag het, ik hoorde het, ik voelde het, ik rook het.

toneelnazi

Studenten op een toneelacademie zijn eigenlijk per definitie wanhopig. In het begin zijn ze misschien nog euforisch over het feit dat ze zijn toegelaten en vol zelfvertrouwen over hun kwaliteiten als acteur – ze waren immers als kind en als middelbare scholier altijd een van de de besten op toneelles, maar al snel dringt het tot hen door dat de andere studenten net zo goed zijn en dat dus niet alleen hun talent, maar ook een flinke dosis geluk en een goed netwerk nodig zijn om later tot de hele kleine fractie te behoren die datgene doet waar zij van dromen: acteren in een toneelgezelschap of in films. Het gros moet bijbeunen om rond te komen (zie artikel nu.nl). Daarom wenden de toneelstudenten al tijdens hun studie hun sociale vaardigheden aan om een netwerk te bouwen waarmee ze naam kunnen maken in het toneelwereldje en toegang krijgen tot audities.

In dit wanhopige milieu gedijt de toneelnazi. Hij geeft zijn studenten het idee dat hij belangrijk is in het toneelwereldje, strooit wat namen rond en weet zich daarmee verzekerd van de aandacht van aantrekkelijke toneelstudentes. Hun attenties heeft toneeelnazi niet te danken aan zijn waanzinnige uiterlijk of persoonlijkheid, maar aan de wanhopigheid van de studentes die elke kans grijpen om zich in de kijker te spelen bij iemand van wie zij denken dat hij belangrijk is voor hun loopbaan. Toneelnazi vindt altijd enthousiaste vrijwilligers voor zijn toneelprojecten, wordt uitgenodigd op feestjes en men lacht om zijn grapjes. De enigen bij wie hij wat minder populair is, zijn zijn collega’s. Maar ja, wat deren hem die ouwe lui, zoals hij zijn leeftijdsgenoten, zichzelf incluis, graag noemt?

hokjesdenken voor 40+

De ‘gewone’ vrouw:

  • Driekwart broek in de zomer
  • Libelle zomerweken
  • Part-time baan
  • Wat overgewicht
  • Raakt van de leg als ze de trein bijna mist en kan daar vervolgens een uur over kwebbelen met vriendin, want ze gaan niet zo vaak met de trein

De zelfbewuste, werkende vrouw:

  • Rode lippenstift
  • Licht chagrijnige, vermoeide blik gecombineerd met een restje vechtlust
  • Pantalon met een blazer
  • Puntige schoenen
  • Full-time baan waar ze flink van zich afbijt maar vreemd genoeg toch nooit echt hogerop komt

De arty-farty vrouw:

  • Kort apart kapsel
  • Bizarre bril
  • Attributen met geometrische vormen (denk aan: oorbellen, gekke rugtas, grote broche)
  • Theater, Kultur
  • (Full-time) baan, maar is niet het belangrijkst in het leven

onbestemde leeftijd

Elf tot dertien jaar is een onbestemde leeftijd. Ik voelde me geen kind meer, maar ook zeker nog geen puber. Een ongemakkelijke stilte voor de storm. Op een vakantie zeiden kinderen tegen me dat ik raar liep en verdomd, ik zag mijn schaduw met de heupen wiegen. Ik zat al jaren op turnles. In de onbestemde leeftijdsfase verloor ik de onbevreesdheid die ik als kind had. Alles wat ik al kon qua turnen, bleef ik doen, maar nieuwe dingen durfde ik niet. Bij een radslag op de balk plaatste ik mijn handen op de balk, maar mikte mijn benen naast de balk op de veilige mat.

Toen ik tussen mijn twaalfde en dertiende flink de lengte in geschoten was, kreeg men verwachtingen van mij die ik niet waarmaakte. Ik gedroeg me nog steeds als een egocentrisch kind, maar dat pikte men plots niet meer. Voor het eerst ving ik een glimp op van de verantwoordelijkheden die horen bij volwassen worden. Men krijgt verwachtingen. Tegelijkertijd voelde ik me machteloos omdat ik aan deze verwachting op dat moment nog niet kon voldoen.

Halverwege mijn dertiende sloeg het om. De stille onbestemdheid werd opgevuld door twee zaken. Ten eerste werd een belangrijk vraagstuk deel van mijn gedachten: hoe ben ik verbonden met mijn omgeving? Oftewel: wat is mijn identiteit? Ten tweede werd in ieder geval een deel van mijn identiteit plots heel duidelijk: ik ben een vrouw en ik voel me aangetrokken tot mannen.

dezelfde look sinds puberteit

Spijkerbroek, grijze broek, rode broek en zelfs the occasional rok behoorden de afgelopen jaren tot mijn reguliere garderobe. Een maand geleden heb ik echter een zwarte broek gekocht en nu ben ik terug in de puberteit. Toen droeg ik er natuurlijk een zwart leren motorjack en Dr. Martens bij (ik was wel een puber), maar in essentie is de look hetzelfde: zwarte broek, zwarte schoenen en daarboven iets in een effen kleur.

Ik draag nu wel wat losser zittende kleding dan de megastrakke en onverwoestbare Tark 1 stretchbroeken. Ik herinner me opeens dat ik in die tijd iets van 50 gulden kledinggeld per maand kreeg en dat zo’n broek 160 gulden kostte. Ik spaarde er echt voor! Wat dat betreft ben ik ook weer terug in die tijd. Ik waardeer het weer om te sparen voor een kledingstuk. Uit noodzaak geboren (geweldig huis, geweldige hypotheek), maar toch een waardevolle les.

Terugkomend op de zwarte broek met de zwarte schoenen: ik voel me er ontzettend lekker bij! Betekent dit dat er een soort basislook bestaat waar je je goed bij voelt en die je de rest van je leven zal dragen of waar je in ieder geval van tijd tot tijd op terug zal vallen?

Beveiligd: het hele relaas

Dit bericht is beveiligd met een wachtwoord. Geef je wachtwoord om het te lezen:


amsterdam west

Op het schoolplein achter mijn vorige huis stond een stenen olifantje. Het is een snoezig beeldhouwwerkje gemaakt door Hendrik Vreeling:

Olifantje

Hij heeft ook de Disney-figuren op de Eusebiuskerk gemaakt (meer info: mijngelderland.nl). Dit soort leuke weetjes zorgen ervoor dat ik me verbonden voel met de stad waar ik woon. Vandaar dat ik een boekje heb gekocht over de historie van Amsterdam-West. De eerste vrouwelijke architect van Nederland, Margaret Kropholler, heeft een deel van mijn straat ontworpen:

Ik ben er nog niet achter wie ons deel van de straat heeft ontworpen. Genoeg te ontdekken nog!

strategisch stemmen op cohen

Telkens als Job Cohen in een debat te zien is, heb ik de neiging om heel hard door de kamer te roepen: “Ik hou van Job Cohen!!!” Vaak onderdruk ik deze neiging niet. Zo vaak niet, dat mijn huisgenoot het mij verbood: “Als je nog één keer roept dat je van Job Cohen houdt, dan… dan… moet je op hem stemmen!”

Landelijk stem ik altijd GroenLinks. Dat rolt ook altijd netjes uit de stemwijzers. Prinicipieel vind ik het beter dat mensen niet strategisch stemmen, maar stemmen op de partij die ze het beste vinden. Maar ik reken wel op strategische stemmers, want ik hoop toch dat mensen nu PvdA gaan stemmen om niet Rutte als premier te krijgen. Waarom zou ik dan niet voor een keer ook zelf strategisch gaan stemmen?

Cohen is niet briljant in het debat, maar juist dat gebrek aan felheid wint me ook weer voor hem. Hij heeft charisma en een mooie stem. Ik vertrouw hem als bestuurder. De enige reden dat ik PvdA zou stemmen is omdat ik hem graag als premier wil, niet vanwege de standpunten van de partij. Uiteindelijk zal ik waarschijnlijk toch GroenLinks stemmen, omdat bij mij ratio het meestal wint van emotie, maar ik twijfel wel!

waarom retro in is

Op de dansvloer zag ik dit weekend een zwoel dansend paar dat rechtstreeks uit de jaren tachtig was gestapt. Zij droeg een blouse met grote schoudervullingen, hij had grove krullen en droeg een zwarte skinny. Toch zagen ze er superhip-en-happening uit. Op een cover van trendy magazine BLEND staarde een model de wereld in vanuit een bleached spijkerjurkje(!). De jaren tachtig zijn terug. Ook te horen op MTV.

Retro is al twee decennia in. In de jaren negentig was er een opleving van flower power, yoga, wijde pijpen, de heupbroek en rappers met bling. Dit decennium kwam het Adidas trainingspak terug en de walkman, de grote-jaren-’60-zonnebril, de legging, de skinny jeans, de All-Stars sneakers en nu dus de schoudervulling, oh gruwel. Niet alleen is het straatbeeld al twintig jaar retro, ook in huis zijn plastic kuipstoelen, witte meubels en seventies snuisterijen terug van weg geweest.

Wat zorgt er toch voor dat oude trends steeds heropleven? Het zou kunnen zijn dat er al twintig jaar niets vernieuwends gebeurt in de modewereld, maar het is waarschijnlijker dat vernieuwingen om de een of andere reden niet meer zo snel aanslaan als trend en in het straatbeeld zichtbaar worden. Trendsetters, magazines en muziekstations spelen een spilfunctie in het overbrengen van vernieuwingen naar een groter publiek, maar uiteindelijk is het dat grote publiek zelf dat bepaalt of een trend aanslaat (en of een trendsetter trendsettend is). Het heeft dus weinig zin om de modeontwerpers of muzikanten op te roepen met iets nieuws te komen. Nee, we doen het zelf. Wat drijft ons hiertoe?

Ik denk dat het een fin-de-siècle fenomeen is. In de jaren negentig had de retrotrend het karakter van een ererondje: nog eenmaal alles langs. De retrotrend verliep toen ook meer chronologisch en vloeide minder in elkaar over dan in dit decennium, waarin een mix-up trend is ontstaan. De mix-up trend is volgens mij een uiting van fin-de-siècle-angst in dit decennium. Die angst kenmerkt zich in deze tijd door vragen als: waar gaat het heen? Hoe ziet de nieuwe eeuw er uit? Kan er nog vernieuwing zijn? Kan er nog vooruitgang zijn? Kan de (welvaarts)groei steeds maar doorgaan?

De crises in dit decennium dragen hiertoe zeker bij of maken er deel van uit: klimaatverandering, de financiële en economische crisis en nu de problemen rond de euro. Begin 20ᵉ eeuw dacht men dat de Belle Époque uitmondde in decadentie. Begin 21ᵉ eeuw is men er van overtuigd dat ons eigen ongebreideld consumeren het klimaat onherstelbaar heeft veranderd en ook het financiële systeem heeft doen wankelen. “Decadentie en verval” is een metafoor die al millennia een zelfreinigend vermogen heeft op Europese samenlevingen.

Globalisering en de opkomende economieën liggen ook ten grondslag aan de culturele nostalgie. De Westerse cultuur was lange tijd dominant en of ‘we’ deze positie kunnen behouden is niet zo zeker meer. Het besef dat China met zijn jaarlijkse groei van 10% ons nu rap nadert, begint door te dringen. Evenementen als de Olympische Spelen dragen China’s nieuwe positie uit. Het is onzeker of ons huidige welvaartsniveau- en groei stand houdt in een veranderende wereld.

Wat de oorzaken ook zijn, men vindt het verleden blijkbaar interessanter dan de toekomst.

Ik denk echter dat er meer dan genoeg reden is voor optimisme. Internet alleen al is een reden om uit te zien naar de toekomst. De ontsluiting van informatie die internet op dit moment teweeg brengt is ongeëvenaard. De geschiedenis bewijst dat vergroting van kennisdeling de vooruitgang versnelt: taal, schrift, boekdrukkunst. Onze generatie zal ontdekken hoe ingrijpend de internetrevolutie is.

Ook is het fascinerend hoe de opkomende economieën zich ontwikkelen en hoe Europa en de Verenigde Staten daar op een positieve manier op kunnen inspelen. China is immers niet alleen een concurrerende producent; rijkere Chinezen bieden ook een gigantische nieuwe afzetmarkt.

Zelfs op het gebied van het energie- en klimaatprobleem verwacht ik dat onze generatie een doorbraak zal meemaken. Er is een omslagpunt in de kosten van hernieuwbare energiebronnen versus fossiele brandstoffen. Dit omslagpunt nadert met rasse schreden. Als het omslagpunt is bereikt, is het waarschijnlijk dat er een snelle omschakeling naar hernieuwbare energiebronnen plaatsvindt, omdat dat dan simpelweg goedkoper is. Er zijn krachten die met succes elke forcering van deze doorbraak hebben kunnen tegenhouden, maar uiteindelijk lijkt het mij een onontkoombare kwestie van vraag en aanbod.

Laten we onze blik optimisch richten op de toekomst! Dan kunnen de schoudervullingen fijn in de jaren tachtig blijven.